"Regel jij de Fransentolk?" — waarom de juiste naam ertoe doet
Communicatieadviseur Stan van Kesteren zette het onlangs treffend neer op LinkedIn: niemand vraagt ooit om een "Fransentolk". Gaat het om een tolk die vertaalt van het Frans naar het Nederlands en andersom, dan zeg je gewoon: een tolk Frans. Wij sluiten ons daar als Stichting Theater met Tolk volledig bij aan.
Toch lees je in de media nog geregeld een andere, minder precieze term zodra het om gebarentaal gaat. Van Kesteren wijst op een recent voorbeeld in een groot landelijk dagblad, in een stuk over toegankelijk theater voor slechthorenden. Terwijl het antwoord net zo simpel is als bij Frans: een tolk is er omdat twee partijen elkaars taal niet spreken. Dat geldt voor gesproken talen, en het geldt evengoed voor gebarentalen. Dus heb je het over een tolk Nederlandse Gebarentaal (tolk NGT): die vertaalt van gesproken Nederlands naar NGT, en omgekeerd.
(Bron: LinkedIn-post van Stan van Kesteren)
Een concreet voorbeeld uit de praktijk
Bij Theater met Tolk herkennen we dat maar al te goed. We hebben zelf een aantal keer interviews gegeven waarin we vertelden hoe een tolk NGT werkt op het podium: een goede plek bij het concert, met góed zicht op de tolk. Dat zicht is geen kwestie van comfort, maar van noodzaak. Het publiek moet de mimiek en het mondbeeld van de tolk helder kunnen volgen, want mimiek en articulatie zijn een grammaticaal noodzakelijk onderdeel van gebarentaal — geen versiering, maar taal zelf.
Bij een van die interviews hebben we een journalist nadrukkelijk gevraagd om niet de verouderde, stigmatiserende term te gebruiken. De journalist beloofde dat. Uiteindelijk besliste de hoofdredactie toch anders: de oude term klonk in hun ogen "mooier" en was korter, dus paste beter in het beschikbare aantal woorden. Dat lijkt een kleine, praktische afweging. Het is ook een vorm van audisme: de taal van een minderheid wijkt voor de stijlvoorkeur van de meerderheid.
Waarom dit meer is dan een woordkwestie
Ons voorbeeld staat niet op zichzelf. Van Kesteren schreef samen met Jopie Louwe Kooijmans een artikel over inclusief taalgebruik, gericht op journalisten en communicatieprofessionals. De kern daarvan: in onze taal sluipen nog voortdurend termen binnen die onbedoeld stigmatiserend of uitsluitend zijn, vaak zonder dat de gebruiker dat beseft. (Bron: Inclusief communiceren: 8 tips, Niets Over Ons Zonder Ons)
Als Stichting Theater met Tolk willen we hier graag een belangrijke aanvulling op geven: ook de veelgebruikte verzamelterm "gebarentolk" is naar onze mening niet correct. Die naam is te algemeen en zegt niets over welke gebarentaal het gaat. Er bestaan immers meerdere gebarentalen en communicatievormen naast elkaar, zoals NGT, ASL, BSL, NmG en tactiele gebaren. Ze zijn niet inwisselbaar, en een tolk is meestal gespecialiseerd in één daarvan.
Sinds de wettelijke erkenning van de Nederlandse Gebarentaal is tolk NGT wat ons betreft de juiste en precieze benaming. Praktisch is die term ook nog eens korter dan "gebarentolk", en inhoudelijk aanzienlijk correcter.
Een nuance: de dove tolk
Terzijde: naast de tolk NGT bestaat ook de dove tolk, een tolk die zelf doof is en voor wie NGT vaak de moedertaal is. Deze wordt bijvoorbeeld ingezet wanneer een doof persoon geen of weinig gebarentaal beheerst, of een andere gebarentaal dan NGT gebruikt; er zijn dan vaak twee tolken tegelijk aan het werk. Ook in het theater komt dit voor: een horende tolk NGT tolkt dan wat er gezegd wordt, waarna de dove tolk dat op het toneel in eigen woorden doorgeeft. (Voorbeeld: Captain Fantastic met Boaz Blume)
Het onderscheid laat mooi zien waarom precieze benamingen ertoe doen: tolk NGT en dove tolk zijn verschillende rollen, die een verzamelterm als "doventolk" of "gebarentolk" allebei onzichtbaar maakt.
Bewustzijn creëren: hoe pak je dat aan?
Terminologie verandert niet vanzelf. Het vraagt om herhaling, geduld en concrete hulpmiddelen. Een paar manieren om daaraan bij te dragen:
- Consequent het goede voorbeeld geven.
Elke keer dat je zelf "tolk NGT" gebruikt in plaats van de oudere term, normaliseer je die benaming een beetje meer, in eigen communicatie, interviews en op sociale media. - Redacties en journalisten gericht corrigeren, met uitleg.
Niet alleen zeggen wát de juiste term is, maar ook waaróm: het is preciezer, sluit aan bij de wettelijke erkenning van NGT, en is even kort of korter dan de alternatieven. Een woordenaantal-argument houdt dan geen stand meer. - Een simpele schrijfregel aanreiken.
Schrijf aan het begin van een tekst één keer "Nederlandse Gebarentaal (NGT)" voluit, en gebruik daarna de afkorting NGT. Zo blijft een tekst kort én correct, ook in een kop met een beperkt aantal tekens (waar "gebarentolk" als noodgreep soms nog te verdedigen is, mits er verderop in de tekst wordt gepreciseerd). - De correctie ook naar binnen richten.
Niet alleen naar journalisten en communicatieprofessionals, ook binnen de dovengemeenschap zelf blijft het nodig om verouderde termen bij te stellen. Taal verandert geleidelijk, en dat geldt voor iedereen die ermee werkt. - Herhalen zonder moe te worden.
Net als bij eerdere taalcorrecties in de geschiedenis is dit een fase waarin je dingen vaker dan je zou willen moet blijven uitleggen — aan redacties, aan collega's, aan onszelf. Dat is geen teken dat het niet werkt, maar onderdeel van hoe taalverandering gaat.
Tot slot
Als Stichting Theater met Tolk roepen we redacties, journalisten en communicatieprofessionals én de dovengemeenschap zelf, op om consequent de juiste benamingen te gebruiken , tolk NGT in plaats van de oudere, algemene termen. Zo geven we het goede voorbeeld en versterken we de positie van NGT als volwaardige, erkende taal. Dat begint bij iets kleins: de volgende keer dat je een interview geeft, een persbericht schrijft of een redactie corrigeert, een paar woorden net iets preciezer kiezen.
Stichting Theater met Tolk
